We gaan terug naar de tijd van de Maya's uit Latijns-Amerika. De cacaoboon en de daaruit gemaakt drank, had voor hen een sterk religieuze betekenis. Het was een geschenk van de goden. Men geloofde in het voortbestaan van de ziel na de dood. Als er iemand overleed, dan dronk men de drank in de schaduw van de belangrijkste boom ter wereld.
Later werd het godsgeschenk gebruikt als betaalmiddel. Vooral de Mexicaanse koning had de gewoonte de belasting uit de te drukken in een aantal manden chocolate. In Nicaragua kostte een konijn tien gebroken cacaobonen en voor een honderdtal van deze zaden had men al een goede slaaf. Het waren de Spanjaarden die de waarde van de boon ontdekten en deze ook naar Europa bracht.
Rond 1650 waren er in Engeland verschillende koffiehuizen waar Jan en alleman vertoefde. De hogere kringen hadden echter behoefte aan een chiquer en meer verfijnde omgeving voor hun mondaine eisen. Zo ontstonden de cacaohuizen.
Het was de Nederlandse arts Cornelis Bontekoe, die
de geneeskrachtige werking van cacao beschreef in "Een kort tractaat van de kragten en 't gebruik van de chocolade".
Uiteindelijk maakten de Zwitsers, door verschillenden ontwikkelingen, de vaste chocolade tot een succes. Tot op heden is cacao een product dat aan zuiverheid niets heeft ingeboet en het blijft zijn naam als goddelijke drank dan ook eer aandoen.