Palingbroodje
Palingbroodjes waren in de vorige eeuw een traktatie op verjaardagen van Zeeuwse boerinnen. Ze werden gegeten bij een kopje thee. Origineel werden de broodjes gemaakt met rauwe paling met graat. Palingbroodjes werden dan ook overdwars gegeten.
Ingrediėnten:
250 gram bloem, 1 mespunt zout, 1½ deciliter melk, 25 gram gist, 20 gram boter, 500 gram gerookte vingerdikke paling, 1ei.
Bereidingswijze:
Zeef de bloem boven een kom en voeg wat zout toe. Verwarm de melk lauwwarm. Los de gist met de boter op in wat lauwe melk. Maak een kuiltje in de bloem en giet daar de gistoplossing in. Giet, scheutje voor scheutje, de rest van de lauwe melk bij de bloem en kneed alles vanuit het midden tot een soepel, elastisch deeg. Laat het deeg, afgedekt met een vochtige doek, 1 uur op een warm plekje rijzen. Vil intussen de paling en verwijder de graat. Snijd de paling in moten van 10 cm. Bestrooi het aanrecht met wat bloem en rol daar het gerezen deeg op uit tot een lap met een dikte van ¼ cm. Snijd uit de deeglap lapjes van 8 bij 10 cm. Leg op elk lapje in de lengte een moot paling, maak 1 lange kant van het deeglapje nat met wat water, rol het lapje om de paling en druk het deeg aan. De uiteinden worden niet dichtgedrukt, de moot paling blijft dus zichtbaar. Beboter een bakplaat en leg daar de broodjes met de naad naar onderen op. Laat de broodjes op de bakplaat nog 30 minuten narijzen. Klop het ei los en bestrijk er de bovenkant van de broodjes mee. Schuif de bakplaat ten slotte in het midden van een voorverwarmde oven (200 °C) en bak de palingbroodjes in 20 minuten gaar en goudbruin.
Bron: van mosselsoep en kaneelpap door Jo van Lamoen

